|
1.
Waterpolocaps
Het dragen van een waterpolo cap tijdens een wedstrijd is zonder
uitzondering verplicht! Waterpolo caps worden door de organisatie
ter beschikking gespeld van de deelnemers. De keeper draagt altijd een
rode cap en de tegen elkaar spelende teams spelen ieder met
een afwijkende kleur cap. (het ene team speelt met blauwe
caps, het andere met witte caps)
2.
Aanvang wedstrijd
Bij aanvang van de wedstrijd dienen de 7 spelers van elk team aan de
kant te hangen (vasthouden anders dan aan de badrand wordt niet
toegestaan) bij hun eigen doel. Na het fluitsignaal van de
scheidsrechter zal de bal ter hoogte van de middenlijn in het water
worden gegooid aan de kant waar de scheidsrechter staat. De speler
die als eerste de bal te pakken krijgt heeft balbezit.
3.
Overtredingen
Als de scheidsrechter fluit is er een overtreding begaan. Kijk naar
de scheidsrechter voor wie de bal is. De bal is voor het team die in
dezelfde richting speelt als dat de scheidsrechter wijst. Na
een 'zware' overtreding dient de speler die de overtreding beging
plaats te nemen in de hoek naast het eigen doel, tegenover de
jurytafel en deze mag pas terug het veld in op het moment dat de
scheidsrechter of jurytafel een sein geeft of de bal weer in bezit
is van het eigen team (wel is de speler verplicht zich te
allen tijde eerst naar de hoek te verplaatsen alvorens
hij/zij weer deelneemt aan het spel). De speler krijgt hierbij
een kruisje achter zijn naam op het wedstrijdformulier.
Indien een speler 3 maal naar hoek is verwezen (en dus 3
kruisjes achter zijn naam heeft) volgt automatisch een
uitsluiting. De speler moet het wedstrijdbad verlaten, maar
mag wel vervangen worden door een wisselspeler. Bij het
nemen van een vrije worp is het niet toegestaan om binnen
een straal van 1 meter het schot te blokken.
4.
Misdragingen (komen bij ons uiteraard niet voor!) ;o)
Bij een misdraging (bijv. een slaande (let op: waterspatten
wordt ook gezien als slaande beweging!) of schoppende beweging
naar de tegenstander, alsmede grof taalgebruik jegens een
tegenstander en/of scheidsrechter)
dient de speler het speelveld onmiddellijk te verlaten en mag NIET
worden vervangen door een wisselspeler. De overtredende partij
zal tevens een strafbal (vanaf de 5 meterlijn) tegen krijgen.
5.
Doelpunt
Er
is een doelpunt op het moment dat de bal de doellijn volledig
gepasseerd is. De scheidrechter fluit en wijst naar het midden.
Binnen het 2 meter gebied mag er niet gescoord worden als er meer
als 2 spelers zich in dat gebied bevinden.
6. Dode
spelsituaties
Een vrije bal mag in 1 worp op doel genomen (direct schot na
overtreding, zonder dreiging) worden mits de
overtreding niet binnen de 5meter is gemaakt of de nemer niet binnen
de 5meter ligt. Ook na een doelpunt mag niet direct op doel
geschoten worden.
Een hoekworp krijgt de aanvallende partij op het moment dat de
keeper de bal over de achterlijn werkt. Of als een speler de bal
bewust achter de achterlijn werkt (dus niet na een geblokt schot).
Hoekworpen worden genomen op de twee meterlijn aan de zijkant van
het bad.
Een doelworp wordt genomen als de aanvallende partij de bal over de achterlijn werkt
of een door een speler geblokt schot over de achterlijn verdwijnt. Deze mag door iedere speler genomen worden
achter de eigen tweemeter lijn.
Een strafbal (vanaf de 5 meterlijn) wordt gegeven indien een zeker lijkend doelpunt
wordt voorkomen door een overtreding (of na een zware overtreding). De
strafworp dient in
één beweging te worden genomen alle spelers moeten zich achter de
strafworpnemer
bevinden.
Een strafworp levert ook een kruisjes op het wedstrijdformulier
achter de naam van de overtreder, maar er hoeft niet in de hoek plaatsgenomen te worden.
Een scheidsrechtersbal wordt gegeven als er niet duidelijk is wie de
overtreding heeft gemaakt of als er twee spelers tegelijkertijd een
overtreding maken. De scheidsrechter vraagt de bal op. Één speler van
beide teams liggen op twee meter afstand van de scheidsrechter. Na
een fluit signaal zal deze de bal in het water gooien en de speler
die als eerste de bal speelt heeft balbezit.
7.
Voorbeelden van overtredingen
- De bal mag niet met twee handen tegelijkertijd worden
aangeraakt
(de keeper mag dit overigens wel, maar alleen binnen de 5
meterlijn!)
- Een keeper mag de bal niet spelen als hij/zij zich over de
middellijn begeeft.
- Indien een speler wordt aangevallen mag hij/zij, de bal niet
onderwater houden.
- Als een speler de bal niet vast heeft mag deze ook niet
aangeraakt worden.
- Als een speler de bal wel vast heeft mag deze dus wel
ondergeduwd worden.
(maar let op! zodra de speler de bal loslaat mag de speler
vanaf dat moment ook niet meer worden gehinderd!)
- Alle spelers mogen op de bodem staan (indien mogelijk)
mits de speler de bal NIET in het bezit heeft! staan en springen van de bodem.
(de keeper mag wél gebruik maken van de bodem!) |